Windesheim, op zoek naar een klooster

Geplaatst op dinsdag 01 januari 2008 @ 14:57 , 885 keer bekeken

Voordat er in Windesheim een klooster werd gebouwd, bestond het 'dorp' uit niet meer dan vijf grote hoeven met het daarbij behorende land. Een ervan heet 'de hof van Windesheim'. Op 23 november 1386 schenkt Bertold ten Have, die inmiddels de bezitter is van de hof van Windesheim, deze aan Florens Radewijns om er een klooster te bouwen. Uit de bronnen weten we dat het gebied van de Hof van Windesheim globaal tussen de huidige NH kerk en de boerderij van Van den Oort heeft gelegen. Toen de hof in hun bezit was gekomen, trokken de broeders naar Windesheim. Zij namen hun intrek bij de plaatselijke boer en gingen aan de slag. Voor zichzelf maakten ze kleine hutten van wilgetenen, leem en stro. In maart 1387 begonnen ze met de bouw in baksteen van de kerk. Nog in datzelfde jaar werd de kloosterkerk ingewijd. Hoe heeft zo'n klooster er uit gezien ? Als voorbeeld nemen we het klooster zoals het er waarschijnlijk in het begin heeft uitgezien. Het bestond uit gebouwen die in een vierkant gerangschikt waren rondom een open binnenplaats. Een zijde werd in beslag genomen door de kloosterkerk. De tweede zijde, de vleugel die aansloot op het koor van de kerk, bestond uit de sacristie (kleedkamer), de kapittel/vergaderzaal, de cel voor de prior en twee andere cellen. In de vleugel daarop aansluitend, dus tegenover de kerk, lagen de refters voor de broeders en de lekebroeders met daartussen de keuken en er onder een grote gewelfde kelder.
In de vleugel die weer naar de kloosterkerk toeliep lagen cellen voor de broeders. Op de eerste verdieping lag de slaapzaal van de broeders met 25 cellen. Behalve de kloosterkerk en vertrek ken van de monniken bevatte een klooster ook arbeidsruimten waarin naast de monniken ook leken werkzaam waren. In deze ruimten werden bijvoorbeeld landbouwprodukten opgeslagen of bewerkt, afhankelijk van de specifieke situatie van het klooster. Het klooster groeide en bloeide. In 1399, 1405 en 1435 vonden er verbouwingen en uitbreidingen plaats. Geschat wordt dat in de bloeitijd er circa 25 broeders gehuisvest waren en de gehele kloostergemeenschap- inclusief de leken - uit ongeveer 80 personen bestond. In de 16e eeuw ging het sterk bergafwaarts met het klooster en in 1577 werden de Windesheimse goederen van het klooster in beslag genomen door de Staten van Overijssel. In de jaren 80 werd het klooster verwoest en bleef er niets anders dan een bouwval over, met als uitzondering de voormalige brouwerij die later als NH Kerk in gebruik werd genomen.

Overblijfselen
Toen gestart werd met de opgravingen had reeds een onderzoek naar de ligging van het klooster plaats gevonden. In Windesheim stonden immers drie gebouwen die iets met het klooster te maken zouden kunnen hebben; ze dateren in ieder geval uit de tijd van het klooster. De Rijksdienst voor de Monumentenzorg in Zeist heeft drie gebouwen laten onderzoeken. Het zijn:1. de onlangs gerestaureerde NH kerk, die vroeger brouwerij is geweest. De NH kerk, die dus niets te maken heeft met de kloosterkerk, is niet alleen bouwkundig onderzocht. Ook zijn van een aantal balken houtmonsters genomen voor dendrochronologisch onderzoek. Op die manier zijn de balken van deze voormalige brouwerij gedateerd. Ze zijn in 1565 gekapt. Dat betekent dat het gebouw uit die tijd dateert. Een ander woord voor dendrochronologisch onderzoek is jaarringenonderzoek. Men kan hiermee hout dateren. Bomen groeien door elk jaar een jaarring te vormen die -onder invloed van zon en regen- steeds afwijkend is van andere jaren. Wetenschappers hebben met behulp van gedateerde eikenhouten balken (bijvoorbeeld van de lijsten van schilderijen, of de houten dakbalken van gebouwen) een jaarringenlijst opgesteld over de afgelopen 2000 jaar. Dit is de meest betrouwbare methode om hout te dateren. 2. de keldergewelven onder de pastorie en de boerderij van Bredewold en de pastorie zelf die vroeger infirmerie werd genoemd. De kelders en delen van de bovenbouw van de pastorie en de boerderij van Bredewold samen waren moeilijk te dateren. Het gaat hier echter duidelijk om gebouwen uit de tijd van het klooster (dus van voor 1580). Men heeft dit gebaseerd op grond van de bouwconstructie en baksteenformaten (globaal genomen zijn grotere bakstenen ouder dan kleinere). Ouder dan ca 1450 zijn de kelders waarschijnlijk niet. 3. de boerderij van Van den Oort. De oudste gedeelten van de boerderij van Van den Oort en de stal dateren uit de tijd van het klooster. Jaarringenonderzoek aan het hout van de stal geeft een datering van ca 1502. Toen is dus de stal van de boerderij gebouwd.

De ligging van het klooster
Voor de ligging van het klooster betekent dit dat de gebouwen met de kloosterkerk niet op de plaats van de boerderij gelegen kunnen hebben ! Op grond hiervan en op basis van de historische gegevens ging de aandacht bij het archeologische onderzoek vooral uit naar het gebied rondom kerk en pastorie. Een zo groot aantal mensen, een kloosterkerk met het daarbij behorende klooster en bijgebouwen moeten hun sporen hebben achtergelaten. Dit blijkt echter geweldig tegen te vallen. Uit de opgravingsput ten noorden van de boerderij van Van den Oort kwamen wat scherven uit de tijd vóór het klooster. Vermoedelijk is dit afkomstig van de boerderij die er gestaan heeft voor die van Van den Oort. Ten oosten van het huis kwam veel materiaal uit de 17e en 18e eeuwtevoorschijn, afkomstig van de boerderij. Ook was er wel wat ouder materiaal bij uit de 15e eeuw. Uit de lange, ten noorden van de NH kerk liggende opgravingsput kwamen twee in dat zand gegraven kuilen met afval te voorschijn. Uit een van die kuilen komt o.a. een compleet steengoed trechterbekertje (wijnbeker) afkomstig uit het Rijnland uit het begin van de 15e eeuw.

Opgravingen
Er hebben opgravingen plaats gevonden in 1986, 1987 en zelfs in 1988. Bij de opgravingen werden sleuven gegraven op zoveel mogelijk plaatsen waar geen bebouwing stond. Kerkbestuur en particulieren waren bereid om hun tuinen door een grote graafmachine overhoop te laten halen in afwachting van muren van het klooster. Het voert te ver om uit te leggen wanneer welke opgravingssleuf is aangelegd en wat daarin al dan niet gevonden werd.

Muurwerk
Bij al die opgravingsputten werd geen muurwerk van het klooster gevonden. Hoe is dat mogelijk, vraagt men zich af. Welnu, toen het klooster rond 1580 tot een ruïne was vervallen en onverlaten in de overblijfselen zaken konden verrichten die het daglicht niet verdroegen, werd besloten het klooster te slopen. Het sloopmateriaal kon overal weer hergebruikt worden door burgers van Zwolle en boeren in de omgeving. Waarschijnlijk is de huidige NH kerk gedeeltelijk met dit afbraakmateriaal verbouwd. Natuurlijk kunnen er onder de grond nog funderingsresten blijven zitten. Doch in die tijd was het gewoonte dat men een fundering maakte van los op elkaar gestapelde bakstenen. Zonder mortel. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ze ook de fundering sloopten. Men hoefde immers de bakstenen alleen maar op te rapen en in een kar te leggen. De mest- of beerkuil leverde zeer interessante gegevens op. Een grondmonster werd botanisch onderzocht. Met zo'n onderzoek kan men o.a. achterhalen wat de mensen gegeten hebben aan zaden en vruchten. In de Middeleeuwen hadden rijkere huizen vaak een beerkelder. Hierboven stond een toilet. Men gebruikte dat toilet niet alleen voor de behoefte, maar men gooide er ook allerlei keuken- en etensafval in. Dit kom je via zo'n botanisch onderzoek te weten. In het geval van de beerkuil van Windesheim bleek dat de mest alleen afkomstig was van menselijke uitwerpselen zonder toevoeging van keukenafval of etensresten. Wat heeft dit nu te betekenen ? In de kroniek over het klooster van Windesheim kunnen we lezen dat de monniken buiten het klooster aan het water aparte huisjes voor allerlei doeleinden hadden en washuizen. Waren hier ook wc's ? In de latijnse teksten heet zoiets 'cioaca'. Vaak stond daar nog achter 'scilicet schijthuis' (betekent schijthuis). Maar dat stond helaas niet in de kroniek. In zo'n schijthuis vind je alleen maar menselijke mest. Heeft op deze plek een wc gestaan, of hebben ze hier de inhoud van zo'n wc begraven ? Uit de inhoud blijkt dat ze o.a. pruimen, zure kers, druiven, appels en peren, moerbeien, bramen, vijgen en bosbessen gegeten hebben. Uit de kruidentuin haalden ze zwarte mosterd/raapsteel, venkel, witte mosterd en jeneverbessen. Ook is er rogge, tarwe en boekweit gevonden die in gemalen vorm gegeten is. Druiven en vijgen zijn waarschijnlijk geïmporteerd. In Nederland krijgen vijgebomen geen vruchten.

Afval en vondsten
Een andere mogelijkheid om iets over het klooster te weten te komen is te zoeken naar het afval. De monniken moesten hun afval ergens kwijt raken. Om stank van bederfelijke waar tegen te gaan werd het begraven. Men maakte een kuil en gooide er het afval in. De kuil werd weer afgedekt en er was niets meer te zien. Bij opgravingen komen we ze echter weer tegen omdat de structuur van de grond anders is dan die van de omgeving. Vaak zijn met het afval ook scherven weggegooid. In de opgravingsput waar die uitbraaksleuf in lag kwam een kuil te voorschijn waar vooral veel slachtafval in zat. De scherven die er tussen zaten kwamen uit het midden van de 15e eeuw. In de er naast liggen opgravingsput lag een afvalkuil waaruit niet alleen scherven kwamen, maar ook een bronzen voorwerp met daarop in reliëf een soort kruis en een groot ijzeren mes.

Prehistorische boerderij
De belangrijkste vondst echter was niet afkomstig van het klooster maar betrof de paalkui len van een boerderij uit de Midden Bronstijd (ca 3500 jaar geleden). Een flink stuk van de boerderij ligt nu nog onder de tuin van de pastorie en is niet opgegraven. We hebben er ook scherven gevonden van kookpotten die iets ouder waren: ca 4000 jaar. De geschiedenis van Windesheim gaat dus heel wat eeuwen terug.

Beerkuil
Misschien wel het interessantste dat opgegraven is, kwam te voorschijn uit een grote opgravingsput tussen het kerkhof en de Bergweg. Hier kon in het voorjaar van 1988 opgegra ven worden omdat dit terrein bebouwd zou worden met een achttal woningen. Het terrein lag vol met paalkuilen. Aanvankelijk dachten we weer met prehistorische bewoning te maken te hebben, doch toen uit enkele paalkuilen fragmenten baksteen en kleine scherfjes uit de middel eeuwen kwamen, moesten ze ook wel uit de tijd van het klooster dateren. Dat was ook het geval met een grote kuil met een bodem van mest (beerkuil)die met zand was dichtgegooid en waarin later een nieuwe kuil was gegraven om afval in te storten. Het muurwerk dat boven de grond stond, was gemetseld met mortel. Mortel is een soort kalkspecie die veel losser zit dan de huidige cementspecie. De stenen laten dan ook gemakkelijker los. Bij werkzaamheden in de NH kerk en in een sleuf daarbuiten, hebben we gezien dat deze fundering ook niet gemetseld is, maar uit los op elkaar liggende bakstenen bestaat. Bij de bouw van het klooster werden de muren op het zand van het rivierduin gefundeerd. Men fundeerde op het zand vanwege de stevigheid. Op dat zand ligt een humuslaag die nu in dikte varieert van ca 30 cm tot 1 meter. In de tijd van het klooster is die humuslaag dunner geweest. In de loop van de eeuwen wordt zo'n humuspakket dikker door opgebracht afval en door natuurlijke processen (afsterven van gewas e.d.). De funderingen van de kloostermuren zullen dus niet erg diep gelegen hebben. Uitzonde ring hierop zijn de muren van de kelders, doch die hebben we tijdens de opgravingen niet gevonden. De enige kelders die bij de kloostergebouwen gehoord kunnen hebben liggen onder de pastorie en de boerderij van Bredewold. Op één plek, tussen de NH kerk en de boerderij van Bredewold werd een noord zuid lopende uitbraaksleuf van ca 1 meter breed gevonden. Mogelijk heeft hier een iets dieper gefundeerde muur gelegen die men geheel gesloopt heeft. Het gat is weer opgevuld en de verkleuring vinden we terug. Op deze plek werd ook een muntje gevonden uit de begintijd van het klooster: een zilveren groot (1377-1393). Natuurlijk werd meteen gezocht naar aansluitingen op deze uitbraaksleuf en naar parallel lopende sleuven, maar dat leverde niets op.

Knijpbril
Uit de in de mestkuil ingegraven afvalkuil kwam o.a. het montuur van een bril tevoor schijn. Het is de vroegste bril die we in Nederland kennen: een knijpbril uit ca 1400. De bril is in Noord Italië uitgevonden in de 13e eeuw. De eerste vermelding van een bril in documenten dateert van 1301. Het montuur werd gemaakt uit been, hout of hoorn. De glazen waren van geslepen bergkristal. Brillen waren in die tijd slechts voorbehouden aan de zeer rijken die ook geletterd waren en de geestelijkheid. Vooral in kloosters, waar door monniken veel boeken (over)geschreven werden, kon men wel een bril aantreffen in het bezit van een bijziende monnik. Tot de oudste afbeeldingen van iemand met een bril behoort die van een dominicaner monnik. In een verhaal over de begintijd van het Domus Clericorum (letterlijk het huis van de 'klerken') van Zwolle wordt verteld over een bijziende monnik: het is de priester Gerardus Vellenho:'Hij was altijd zeer trouw bij de handenarbeid, een goed schrijver en altijd bezig. Zijn medebroeders plachten te zeggen dat een kar op vier wielen de boeken die hij geschreven had niet kon vervoeren. Toen hij oud geworden was en nauwelijks door een bril kon zien, zodat hij de pen matigde, hield hij toch niet op met het schrijfwerk.....'. Men kan zich voorstellen dat er ook in Windesheim in het moederklooster der Moderne Devoten monniken bezig geweest zijn met schrijfwerk. Een van hen heeft in leder geval het hoornen montuur van zijn knijpbril verloren. De vorm van de huidige bril waarvan de poten achter de oren geklemd worden, is nog niet zo oud. De knijpbril is eeuwenlang in gebruik geweest. De Windesheimer bril is uniek voor Nederland.


Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan: